Half Woord

Een half woord voor Toon door Alexandra Crouwers. Gelezen ter gelegenheid van de boekvoorstelling en opening van de tentoonstelling ‘Letters to Survivors’ van Toon Teeken in antiquariaat Demian in Antwerpen. April 2026.

A “half word” for Toon by Alexandra Crouwers. Written and read on the occasion of the book presentation and opening of the exhibition ‘Letters to Survivors’ by Toon Teeken in antiquarian book shop Demian, in Antwerp. April, 2026.

Vooraf: ik ben geen “kenner” van Toon’s werk. Als onderdeel van de tentoonstelling is zijn eigen tekst te lezen, en er is een video-interview over zijn werk te zien. Ik wil maar zeggen; ik ben niet nodig om Toon ‘uit te leggen’; dat kan hij het beste zelf. 

Maar waarom sta ik dan hier?

Het geval wil dat Toon en ik tegelijkertijd op de kunstacademie van Den Bosch terechtkwamen: hij als docent en ik als student. Voor Toon was het de eerste keer dat hij kunstdocent was, en voor mij – en ongeveer vijfentwintig andere jonge mensen – was het de eerste keer dat ik kunststudent was. We waren daardoor misschien allemaal leraar en leerling tegelijkertijd en dat bevordert de gelijkwaardigheid. 

Want niet alle kunstenaars zijn even genereuze docenten. Veel willen vooral zichzelf terug zien in de kunststudent. Toon niet: hij dacht met ons mee, en gebruikte de volle bandbreedte van de kunsten om ons te helpen onszelf te ontwikkelen tot onafhankelijke denkers en makers, tot collega’s in plaats van clones.

Er sloop veel literatuur in zijn lessen. Toon raadde me aan Raymond Queneau’s ‘Stijloefeningen’ te lezen, wat nog altijd een van mijn favoriete boeken is. ‘Stijloefeningen’ beschrijft op 99 verschillende manieren een tamelijk onbenullige scène, waarin een man op een stadstram wordt geadviseerd om de bovenste knoop van zijn jas vast te zetten. Dat is wat veel kunstenaars ook doen: telkens opnieuw hetzelfde onderwerp op een andere manier aanpakken omdat je altijd iets anders ziet en er telkens iets anders uitkomt.

Via literatuur – en muziek – liet Toon ons zien wat kunstenaarschap in kan houden: een beeldend kunstenaar zit niet op een eiland, en het medium is minder belangrijk dan de ideeën. Ik ruilde al op de academie het schilderen in voor andere media. Sinds meer dan twintig jaar is de computer het instrument waarmee ik denk en maak. Voor mij is dat minder een technisch maar veel eerder een conceptueel medium, te vergelijken met hoe Toon het schilderen benadert.

Digitale media bestaat, bijna ongemerkt en weggestopt in visuele interfaces, uit heel veel taal: het meeste in de vorm van code. In ‘Stijloefeningen’ gebruikt Queneau een vorm van generatieve codering: het zijn variaties op een thema die wordt uitgevoerd volgens 99 verschillende regels. In sommige versies van het verhaal wisselen woorden of letters van plaats of worden ze weggelaten. In bepaalde gevallen zijn deze variaties net niet leesbaar, maar in andere toch ook net wel, ondanks dat de helft van de tekst mist. Onze hersenen hebben maar een half woord nodig om de rest te kunnen raden.

Dat komt omdat wij, mensen, zo goed zijn in het herkennen van patronen. Dat heeft ons in staat gesteld om bepaalde voorspellingen te doen over het weer of over de beweging van kuddes rendieren. Wij lazen lang voordat we konden schrijven: wij lazen sporen in het zand en samentrekkende wolken en dat hielp onze kwetsbare lijven te overleven en ons warm en droog te houden. 

Soms zijn wij iets te enthousiast en denken we patronen te herkennen waar ze niet zijn. Dat is de aanleiding voor complottheorieën en pseudowetenschap zoals astrologie en waarzeggerij. We lezen bewegingen in water, de ingewanden van een haan, theeblaadjes, in de veronderstelling dat ze nuttige boodschappen bevatten. 

De ‘Letters to Survivors’ die hierboven in de glazen kasten tentoongesteld zijn en tot deze mooie publicatie werden gemaakt, zijn meer dan 250 brieven die allemaal niet leesbaar zijn. Iedere brief bestaat uit een ander schrift – krullen, krabbels, hiërogliefen – dat op het eerste gezicht de patronen van geschreven taal volgt, maar onmogelijk te ontcijferen valt. 

Ik moet denken aan het 15e eeuwse Voynich-manuscript, een prachtig geillustreerd boekwerk dat vermoedelijk van botanische aard is en waar niemand een spreekwoordelijk touw aan kan vastknopen: al in 1940 werd IBM ingeschakeld om het via de vroegste computers te decoderen, zo graag willen we het lezen. Maar zelfs nu bijten de beste AI modellen er hun digitale tanden op kapot: de teksten zijn nog steeds niet vertaald.

Misschien wil dat zeggen dat de maker van het manuscript ook helemaal niet de bedoeling had om begrijpelijke informatie over te dragen, want anders had deze persoon ongetwijfeld voor Arabisch, Latijn, of Hebreeuws gekozen. 

Misschien is de informatie zelfs niet eens geworteld in de realiteit, en is het manuscript een uit de hand gelopen grap, of een oefening in speculatieve fictie. Maar het kan ook best zijn dat het werk een voorbeeld is van conceptuele kunst, en heeft de maker ervan zich vooral afgevraagd hoe ver je de patronen van mensentaal kunt rekken, zodat het ons honderden jaren later nog bezighoudt.  

De Survivors, waar Toon’s brieven aan gericht zijn, zijn wij – iedereen die nu leeft – maar ook ‘wij’ in de toekomst. Ik stel me voor dat, ooit, honderden jaren vooruit, een overlevende de Letters onder ogen krijgt en het hoofd erover breekt. Alle kwantumcomputers ten spijt: het blijkt dat de brieven niet vertaalbaar zijn. 

“Dit is wel heel bijzonder!”, zullen de Survivors die nog komen tegen elkaar zeggen. De brieven worden samen met een half vergaan koffiezetapparaat en een autoband in de afdeling 21e eeuw van het museum gezet. Het werk roept meer vragen op dan ze kan beantwoorden. Misschien, theoretiseren ze, was de schrijver ervan een mysticus, een grappenmaker, of godbetert, een kunstenaar; deze Toon Teeken, te Maastricht.

Alexandra Crouwers

Antwerpen, April, 2026.